Ik had beloofd jullie mee te nemen in het proces van mijn boek.
Niet alleen wanneer er iets te vertellen valt. Niet alleen wanneer ik enthousiast kan melden hoeveel pagina’s erbij gekomen zijn, welke inzichten tijdens het schrijven plots op hun plaats vielen of hoe het boek stilaan de vorm begint te krijgen die ik ergens in mijn hoofd heb zitten.
Ook wanneer er… tja… niets gebeurt.
Dus, voor wie zich afvraagt hoe het met dat boek van mij staat: het staat.
Letterlijk, momenteel. Al drie weken.
En aangezien ook dat blijkbaar deel uitmaakt van het schrijven van een boek, neem ik jullie daar dan maar even in mee.
Drie weken geleden schreef ik nog alsof iemand ergens een kraan had opengedraaid.
Alinea’s volgden elkaar op. Pagina’s kwamen erbij. Gedachten vonden bijna vanzelf hun weg naar woorden. Het ene inzicht trok het andere mee. Soms diende een zin zich aan terwijl ik met iets totaal anders bezig was en moest ik hem snel ergens parkeren voor hij weer verdween.
Het boek leefde. Of misschien leefde ik er vooral ín.
En toen werd het stil.
Niet een beetje minder productief. Niet van vijf pagina’s per avond naar anderhalve. Niet van elke dag schrijven naar af en toe een verloren dagboekfragment.
Gewoon: stil. Al drie weken.
Radiostilte, zou je kunnen zeggen. Al is paginastilte misschien correcter.
Er waren gebeurtenissen op het werk. Er was drukte. Er was het leven, dat zoals gewoonlijk geen rekening houdt met zorgvuldig uitgedachte schrijfplannen.
En soms had ik gewoon geen zin om te schrijven.
Dacht ik. Want eigenlijk klopt dat niet helemaal. Ik heb wél zin om te schrijven. Ik heb alleen niet altijd zin om naar de plek te gaan waar ik moet zijn om te kunnen schrijven.
Blijkbaar kan ik niet gewoon mijn laptop openklappen, mijn document openen en tegen mezelf zeggen: “Zo. Ik heb drie kwartier. Schrijven maar.”
Zo werkt het dus niet. Om te schrijven moet ik in mijn verhaal kruipen.
Niet letterlijk in een verzonnen wereld, want fictie schrijf ik niet. Maar wel opnieuw in de gedachten, herinneringen, vragen en observaties waaruit dat boek aan het groeien is.
En blijkbaar lukt dat niet met één been erin en het andere nog in mijn werkdag.
Niet voor twintig procent, terwijl tachtig procent van mijn hoofd nog gesprekken herkauwt, lijstjes afwerkt of zich alvast zorgen maakt over wat morgen dringend zal blijken te zijn.
Zelfs vijftig procent blijkt volstrekt waardeloos.
Ik moet er helemaal in.
Ik moet opnieuw voelen waarom ik iets wilde vertellen. Terugvinden wat me bij een bepaalde gedachte bracht. Me herinneren waarom die ene kleine observatie plots belangrijk genoeg leek om drie pagina’s aan op te hangen. Verbanden terugzien die glashelder waren toen ik schreef, maar die zich na drie weken weer netjes hebben verstopt tussen al het andere dat mijn hoofd bezighoudt.
En precies dát vraagt iets.
Misschien is het dus niet het schrijven waar ik de voorbije weken geen zin in had. Misschien had ik gewoon geen zin om er weer helemaal in te kruipen. En blijkbaar staat daar opnieuw een deur.
Daar is ze weer, die deur.
Ik schreef er eerder al over. Toen ik merkte hoe moeilijk het was om over Santiago te praten. Om herinneringen boven te halen die ik blijkbaar ergens netjes had opgeborgen. Ook toen moest ik beslissen of ik die deur wel wilde opendoen.
Blijkbaar heeft ze meer dan één kamer erachter.
Want schrijven vraagt ongeveer hetzelfde van mij. Niet noodzakelijk omdat wat ik schrijf zwaar of moeilijk is, maar omdat ik er niet vanop afstand naar kan kijken.
Ik moet erin.
Terug naar de gedachten die ik had. Naar wat ik voelde toen ik iets opschreef. Naar de herinneringen, vragen en observaties waaruit dat boek langzaam vorm krijgt.
En eenmaal ik daar ben, volstaat het niet om even binnen te kijken.
Ik kan niet vijf minuten op bezoek in mijn eigen boek. Jas aanhouden, kopje koffie, wat aan een komma prutsen en daarna weer vertrekken.
Nee.
Als ik ga, moet ik gáán.
Gans.
En dat vind ik een behoorlijk interessante ontdekking voor iemand die nog maar pas probeert een boek te schrijven. Ik dacht namelijk dat schrijven vooral iets met discipline te maken zou hebben. Gaan zitten. Laptop open. Woorden produceren. Niet zeuren. Doorschrijven.
En uiteraard zit daar een stuk waarheid in. Maar ik begin te vermoeden dat er nog iets anders nodig is.
Ruimte.
Niet noodzakelijk uren lege agenda. Niet wachten op die mythische zaterdag waarop niets of niemand iets van mij wil en ik plots zes ononderbroken uren ter beschikking heb.
Nee. Ik heb nood aan echte ruimte. Ruimte In mijn hoofd. En vooral de bereidheid om die ruimte ook in te nemen. Om al de rest even opzij te zetten en honderd procent aanwezig te zijn bij wat ik aan het schrijven ben.
Want twintig procent werkt blijkbaar niet. Vijftig al helemaal niet.
Er blijkt geen praktische tussenstand te bestaan waarbij ik een beetje schrijf en ondertussen ook nog een beetje ergens anders ben.
Jammer eigenlijk. Het zou organisatorisch bijzonder handig zijn.
Misschien hoort ook dit gewoon bij een boek schrijven: ontdekken hoe jíj schrijft. Niet hoe schrijvers volgens lijstjes, podcasts en goedbedoelde adviezen zouden moeten schrijven, maar hoe jouw hoofd blijkbaar werkt.
Het mijne heeft me alvast iets duidelijk gemaakt…
Schrijven doe ik niet een beetje. Er blijkt geen schuifknop op te zitten.
Geen 20 procent. Geen 50 procent.
Aan. Of uit.
Erin. Of erbuiten.
Drie weken geleden zat ik erin en vloeiden de pagina’s uit mijn pen alsof ze al die tijd stonden te wachten.
Nu is het stil. Paginastil.
Maar misschien is stilte niet hetzelfde als stilstaan. Misschien sta ik gewoon nog even voor de deur.
Kijk ik naar de klink.
Weet ik perfect wat erachter ligt.
En denk ik gewoon: niet vandaag.
Tot er straks weer een dag komt waarop het antwoord anders is.
En dan weet ik ondertussen één ding.
Niet voorzichtig één voet naar binnen zetten.
Gewoon gaan.
Helemáál.
